Partij van de hoge inkomens in afdrachtrel: “We zijn potdomme de SP toch niet?”
Het gaat de VVD financieel niet zo goed. De partij van de hoge inkomens heeft dan ook besloten dat haar volksvertegenwoordigers in bijvoorbeeld de gemeenteraad of de Tweede Kamer een klein percentage van de inkomsten als volksvertegenwoordiger moeten afdragen aan de VVD. Daarover is een rel ontstaan binnen de VVD. Eén van haar “volksvertegenwoordigers”, die tegen een afdrachtregeling is, verzuchte: “We zijn potdomme de SP toch niet?” De verontwaardiging bij VVD-leden over een afdrachtregeling zegt veel over de sociaal-economische positie van de partij en over het zelfbeeld van haar leden. Voor de bestuurders en volksvertegenwoordigers van SP-huize is de afdrachtregeling al vanaf haar ontstaan een logische vorm van interne solidariteit. In de gemeenteraad van Horst leidde dat tot een SP-voorstel om de uitkering die je als raadslid ontvangt, te verlagen. Het betreft immers belastinggeld dat opgebracht wordt door alle Horstenaren.
Jimmy Dijk naar aanleiding van de rel binnen de VVD: “Wij zijn trots op onze solidariteitsregeling! Onze volksvertegenwoordigers dragen zo bij aan acties voor goede zorg en huurbevriezing en met onze Hulpdiensten bieden we hulp aan wie het nodig heeft. Solidariteit, daar moet je niet over praten, dat moet je doen!”
Wie naar de cijfers kijkt, ziet dat de VVD al decennialang bovengemiddeld populair is onder mensen met hogere inkomens en vermogens. Terwijl de SP juist vooral wordt gesteund door mensen met lagere en middeninkomens. Onderzoek naar het electoraat laat zien dat een grote meerderheid van de VVD-kiezers in de bovenste helft van de inkomensverdeling zit en relatief vaak in de hogere middenklasse en daarboven, met veel ondernemers, managers en hoger opgeleiden. Bij de SP is dat precies omgekeerd: daar komt een fors deel van de kiezers uit inkomensgroepen van mensen die afhankelijk zijn van gewone loonbanen, uitkeringen of bescheiden pensioenen. In die zin vertegenwoordigen beide partijen verschillende lagen van de samenleving: de VVD vooral de economische winnaars, de SP vooral wie elke maand moet rekenen.
Dat verschil wordt nog scherper bij de groep waar de afdrachtregeling over ging: de bestuurders en volksvertegenwoordigers. Kamerleden, wethouders, gedeputeerden en bewindspersonen krijgen salarissen die ver boven modaal liggen. Voor VVD-bestuurders geldt bovendien dat ze vaak uit goed betaalde functies in het bedrijfsleven komen. Het voorgestelde VVD-plan ging over een afdracht van een paar procent van dat politieke inkomen: in de praktijk enkele honderden euro’s per maand voor mensen die hoe dan ook ruim boven het gemiddelde verdienen. Bij de SP is de norm veel strenger: SP-Kamerleden en andere topvertegenwoordigers dragen het grootste deel van hun vergoeding af aan de partij en ontvangen zelf een inkomen rond modaal; raadsleden en statenleden dragen een aanzienlijk deel van hun vergoeding af. De gedachte daarachter is dat politiek geen persoonlijke carrière is waarmee je jezelf verrijkt, maar een dienst aan je achterban: je leeft ongeveer zoals zij, de rest gaat naar organisatie, hulp en actie.
Tegen die achtergrond krijgt de uitspraak “we zijn potdomme de SP toch niet?” een duidelijke lading. Het is niet alleen een afwijzing van een technische regeling, maar vooral een afwijzing van het idee van interne solidariteit. Waar bij de SP het afstaan van inkomen een vanzelfsprekend onderdeel van de politieke cultuur is, ervaren veel VVD’ers het als aantasting van een kernprincipe: wat ik verdien is van mij. Dat is precies de ideologische scheidslijn tussen beide partijen. Voor SP’ers is herverdeling – ook binnen de eigen organisatie – een logische uitdrukking van gelijkwaardigheid. Voor VVD’ers voelt dezelfde maatregel als een onterecht ingrijpen in individuele vrijheid en eigendomsrecht, zelfs als het gaat om een relatief klein percentage dat ze makkelijk kunnen missen.
Juist daarom wringt het ook als je kijkt naar hoe de VVD over belastingen praat. In het publieke debat benadrukt de partij graag dat “de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen” en dat werken moet lonen. Maar in concrete kabinetsplannen komt daar vaak iets anders uit: verlaging of bescherming van belastingen op hoge inkomens, winsten en vermogen, en tegelijkertijd verhoging van algemene belastingen zoals btw en accijnzen, die iedereen betaalt en relatief zwaarder drukken op lage en middeninkomens. Naar buiten toe wordt dus de taal van solidariteit gebruikt, terwijl de uitkomst structureel gunstig is voor dezelfde hogere inkomensgroepen waarin de VVD haar electorale basis heeft. Op macroniveau is de partij daarmee zuinig met solidariteit richting de samenleving als geheel, en op microniveau – binnen de eigen partij – blijkt zelfs een afdracht van een paar procent al te veel gevraagd.
Samengevat: VVD’ers zitten gemiddeld ruim boven het inkomen van de doorsnee Nederlander, SP’ers juist daaronder. Dat is niet alleen een statistisch feit, maar werkt door in mentaliteit en partijcultuur. De uitspraak “we zijn potdomme de SP toch niet?” maakt dat zichtbaar: ze laat zien hoe groot de afstand is tussen een partij die solidariteit, ook financieel, als uitgangspunt neemt en een partij die het behoud van persoonlijke welvaart zó vanzelfsprekend vindt dat zelfs een minimale interne herverdeling al als een onacceptabele aantasting wordt ervaren – terwijl diezelfde partij naar buiten toe beweert dat de sterkste schouders best wat meer mogen dragen.